Stellingen inleiders Najaarsvergadering 2018

foto

Hieronder vindt u de stellingen van de inleiders van de Najaarsvergadering van 23 november 2018, met als onderwerp de “Experimenteerwet rechtspleging”.

STELLINGEN MR. DR. R.C. HARTENDORP

1.            In artikel 1 lid 1 van het wetsvoorstel Experimentenwet rechtspleging is opgenomen dat met het oog op ‘het bevorderen van innovatie in de rechtspraak ten behoeve van eenvoudige, snelle, flexibele en effectieve rechtspraak’ van de bestaande regelgeving afgeweken moet kunnen worden. Deze bepaling geeft de Experimentenwet rechtspleging een te beperkt bereik. Versnelling en vereenvoudiging van procedures biedt slechts in een deel van de gevallen een oplossing. In de Experimentenwet rechtspleging dient geëxpliciteerd te worden dat ook voor de-escalerende en conflictoplossende vormen van rechtspraak afgeweken moet kunnen worden van bestaande regelgeving
2.            In het civiele recht kunnen de meeste procesrechtelijke innovaties op basis van het bestaande procesrecht en zonder gebruikmaking van de Experimentenwet rechtspleging worden gerealiseerd. Deze innovaties vereisen echter wel creativiteit en medewerking van rechters, rechtshulpverleners en procespartijen. De Experimentenwet rechtspleging is dan ook in de eerste plaats bedoeld om procesrechtelijke innovaties te testen met minder creatieve en/of coöperatieve rechters, rechtshulpverleners en procespartijen.
3.            Alleen innovatie die zonder gebruikmaking van de Experimentenwet rechtspleging in één of meer gerechten succesvol gebleken zijn komen in aanmerking voor toepassing van de Experimentenwet rechtspleging.
4.            De rechtspraktijk heeft ook behoefte aan een regeling die experimenten met rechtsgebied-overstijgend procederen (bijv. combi-zittingen civiel-bestuur of civiel-straf) mogelijk maakt.
5.            Met name experimenten met de Wet griffierechten in burgerlijke zaken kunnen échte innovaties in de rechtspraktijk teweeg brengen.

STELLINGEN MR. M.M. KORSTEN-KRIJNEN

1.            Verplichte deelname aan een experiment is onwenselijk omdat een rechtzoekende daardoor tegen zijn zin van de reguliere – wettelijk voorgeschreven – procesgang kan worden afgehouden.
2.           Bij het plannen van zaken op zitting moeten zaken die plaatsvinden op grond van een experiment voorrang krijgen op andere zaken.
3.          De regels 5 en 6 uit de Gedragsregels advocatuur moeten worden aangevuld met de bepaling dat een advocaat op de zitting een positieve, meewerkende houding aan de dag moet leggen als de rechter een schikking beproeft.

STELLINGEN MR. M.P.G. RIETBERGEN

1.            Een rechtstaat verdient meer dan geëxperimenteer.
Er is al teveel gaande in de hedendaagse rechtspraktijk, schoenmakers dienen bij hun leest te blijven. De rechtspraak dient zich met name in te zetten om binnen de huidige kaders en standaarden (en evenzeer binnen voor alle betrokkenen redelijke termijn…) recht te spreken.

2.            Rechtzoekenden zijn geen proefdieren.
Er bestaat geen ruimte voor experimenteren met en in het recht; de wettelijke kaders vormen een samenhangend geheel en bieden voldoende mogelijkheden om recht te spreken, recht te doen en gebruik te maken van de bestaande mogelijkheden binnen het wettelijk kader, waardoor de – eerder bevochten – rechtswaarborgen voor alle rechtzoekenden bewaard worden.
3.            Experimenteren?? Dat is toch iets voor scheikundige meneren??
Experimenten met en in het recht kunnen voorbijgaan aan de belangen van een grote groep rechtzoekenden, juist in de zaken waar vaak het rechtsgevolg toch al niet alleen aan partijen is. Het systeem van rechtswaarborgen is een basisvoorwaarde, een grondrecht; daarmee experimenteren kan zorgen voor een glijdende schaal, zeker in de huidige woelige tijden.