Stellingen inleiders Voorjaarsvergadering 2018

foto

Hieronder vindt u de stellingen van de inleiders van de Voorjaarsvergadering van 15 juni 2018, met als onderwerp “Inspraak in de rechtspraak; de rol van derden in de procedure“.

STELLINGEN PROF. MR. DR. J.C.A. DE POORTER

1.            Ook de hoogste algemene bestuursrechter heeft een rechtsvormende taak, dus moeten hem instrumenten worden geboden om beter zicht te krijgen op de gevolgen die haar beslissingen hebben voor de samenleving.
2.            Als de amicus curiae wordt ingezet dient dit te gebeuren door een openbare consultatie.
3.            De door de amici verstrekte schriftelijke inlichtingen behoren na binnenkomst integraal openbaar te worden gemaakt door publicatie op de website van het rechterlijke college.
4.            De vraag of en waarover de amici om schriftelijke inlichtingen worden gevraagd is een bevoegdheid van de rechter; procespartijen behoren op dit punt geen inspraak te hebben.
5.            De rechter moet een amicus curiae op zitting kunnen bevragen.
6.            Behoefte aan een wettelijke regeling van de amicus curiae in het bestuursrecht?
a) In de Algemene wet bestuursrecht behoeft geen bevoegdheid te worden opgenomen voor de hoogste bestuursrechter om de amicus curiae in te zetten.
b) In de Algemene wet bestuursrecht dient voor de hoogste bestuursrechters de bevoegdheid te worden opgenomen om de amicus curiae in te zetten.
c) In de Algemene wet bestuursrecht behoeft geen bevoegdheid te worden opgenomen voor de hoogste bestuursrechters om de amicus curiae in te zetten, maar de amicus curiae verdient wel uitwerking in een procesreglement.
d) In de Algemene wet bestuursrecht dient voor de hoogste bestuursrechter een algemeen geformuleerde bevoegdheid te worden opgenomen om de amicus curiae in te zetten, die in een procesreglement nader wordt uitgewerkt.

STELLINGEN PROF. MR. DR. E. BAUW

1.            De mogelijkheid van procederen over collectieve belangen bij de civiele rechter (public interest litigation, PIL) vormt in de huidige tijd een vitaal onderdeel van de democratische rechtsstaat.
2.           Ook in feitelijke instantie bestaat in (civiele) procedures over collectieve belangen behoefte aan de mogelijkheid voor de rechter om anderen dan partijen in staat te stellen inbreng te leveren.
3.          De rechter moet een amicus curiae op zitting kunnen bevragen.

STELLINGEN PROF. DR. J.S. KORTMANN

1.            Het instrument van de oproeping in vrijwaring (art. 210 Rv e.v.) functioneert, met name in gevallen van (gestelde) hoofdelijkheid, niet goed.
2.            De  lagere rechtspraak is – veelal op onjuiste gronden – terughoudend met de toepassing van het instrument van de ‘gedwongen voeging of tussenkomst’ van artikel 118 Rv.
3.            De rechtspraktijk heeft behoefte aan een procesrechtelijk instrument waarmee kan worden bewerkstelligd dat het gezag van gewijsde zich uitstrekt tot een derde, zonder dat die derde noodzakelijkerwijs partij wordt bij de procedure (vgl. het Duitse instrument van de Streitverkündung).